Protocol

Vanaf de publicatie op 28 september 2011 is het volgende protocol en de definities van toepassing op de Raad voor de rechtshandhaving.
Protocol illustration

Organisaties onder inspectie


De Raad inspecteert deze organisaties op effectiviteit, kwaliteit van uitvoering en management:
— Politie, politieopleiding en het Openbaar Ministerie.
— Instanties en instellingen waar gevangenisstraffen en maatregelen voor beperking van of ontneming van vrijheid worden uitgevoerd, of waar reclassering en nazorg en slachtofferzorg worden geboden aan volwassenen en jongeren.
— Andere organisaties aangewezen door nationale verordening of wet, die onder de verantwoordelijkheid van de Minister vallen zoals omschreven in de Rijkswet en onderdeel zijn van de justitiële keten.

De Raad heeft wettelijke bevoegdheden en voert zijn taken uit, ongeacht de betrokken instellingen en de verantwoordelijke ministers. Echter, na overleg met de Raad, kunnen de Ministers richtlijnen geven met betrekking tot de uitvoering van het jaarplan van de Raad. Deze richtlijnen mogen echter geen betrekking hebben op de toe te passen methode, het oordeel van de Raad en zijn onderzoeksrapport (Art. 4 Rijkswet).

Onder Artikel 21 van de Rijkswet kan de betreffende minister ook verzoeken dat de Raad een inspectie uitvoert naar een organisatie. Hetzelfde geldt in dit opzicht.

Op grond van Artikel 16 van de Rijkswet stelt de Raad een procedureprotocol van zijn taken vast, dat openbaar wordt gemaakt. Dit protocol geeft informatie over de procedure en de zorgvuldigheidsplichten die de Raad moet naleven bij het uitvoeren van zijn inspectietaken.


Definities


In dit protocol worden de volgende termen als volgt gedefinieerd:
a. Landen: Curaçao, Sint Maarten en Nederland, voor zover het Bonaire, Sint Eustatius en Saba betreft;
b. Raad: De Raad voor de Rechtshandhaving zoals bedoeld in Artikel 2, eerste lid van de Rijkswet op de Raad voor de Rechtshandhaving;
c. De Minister: De Minister bedoeld in de Rijkswet voor de Raad voor de Rechtshandhaving;
d. Instelling(en): Rechterlijke diensten en/of instellingen en andere als zodanig bij wet aangewezen organisaties, die onder de verantwoordelijkheid van de Minister vallen en deel uitmaken van de justitiële keten en inspectieobject zoals bedoeld in Artikel 3 van de Rijkswet op de Raad voor de Rechtshandhaving.


Inspectieproces


De Raad onderscheidt de volgende typen inspecties:
a. Screening, waarbij de inspectie gericht is op een uitgebreide analyse van de effectiviteit, de kwaliteit van de uitvoering van taken en het management van de instellingen;
b. Thema-inspectie, waarbij de inspectie gericht is op een (deel van de) justitiële keten op effectiviteit, kwaliteit van dienstverlening en het management daarvan;
c. Gevraagde inspectie, op verzoek daarvan door de betreffende Minister onder Artikel 21 lid 2 van de Rijkswet, waarbij de inspectie gericht is op een volledige of gedeeltelijke beoordeling van de effectiviteit, de kwaliteit van uitvoering van taken en het management van de instellingen;
d. Vervolginspectie, waarbij de inspectie gericht is op het beoordelen hoe de Minister heeft gehandeld naar aanleiding van eerdere bevindingen en aanbevelingen van de Raad, zoals uiteengezet in een inspectierapport (Artikel 30 van de Rijkswet).

De genoemde inspecties kunnen ook betrekking hebben op de samenwerking en de vormen van samenwerking binnen de justitiële keten en tussen landen. (Keer op keer zal de Raad de betrokken instellingen informeren over welk type inspectie wordt uitgevoerd).


Jaarplan


De Raad stelt een plan op waarin zijn voorgenomen activiteiten worden gerechtvaardigd. Dit jaarplan wordt naar de Ministers gestuurd, die het vervolgens naar de representatieve organen sturen.


Uitvoering van de inspecties


Beoordelingskader

Voor elke inspectie wordt een beoordelingskader vastgesteld, waarbij de geldende normen voor de inspectie worden bepaald. Het beoordelingskader is gebaseerd op de bestaande internationale en nationale regels voor de betreffende organisatie of de betreffende vorm van samenwerking. Hieronder kunnen gedefinieerde beleidskaders, richtlijnen, instructies en samenwerkingsafspraken vallen. Indien de regels ontbreken of onvolledig zijn, zal de Raad zelf (deels) het beoordelingskader vaststellen. Bij het vaststellen hiervan kunnen externe deskundigen worden betrokken.

Vooronderzoek
Ten behoeve van de inspectie voert de Raad een vooronderzoek uit. Dit onderzoek omvat studierapporten, plannen, rapporten over bevindingen van wetenschappelijk onderzoek, eerdere inspectierapporten, mediaberichten en andere relevante documenten en kennisbronnen in verband met de inspectie.

Melding
Minstens vier weken voor aanvang van de inspectie ontvangt de betreffende organisatie een melding over de aanstaande inspectie. In deze brief moet de Raad in elk geval vermelden om welk type inspectie het gaat en wanneer deze zal plaatsvinden. Indien mogelijk op dat moment, vermeldt de brief ook met wie de Raad zou willen spreken en welke dossiers de Raad zou willen inzien. In de brief wordt verzocht om een contactpersoon aan te wijzen alsook de informatie beschikbaar te stellen die de Raad noodzakelijk acht voor de inspectie. Indien de Raad dit nodig acht, wordt een inspectie uitgevoerd zonder voorafgaande kennisgeving.

Zelfbeoordeling
In bijzondere gevallen kan de Raad een organisatie waar een inspectie zal worden gehouden, toestaan om voorafgaand aan de aanstaande inspectie door de Raad een zelfbeoordeling uit te voeren, om relevante gebieden en onderwerpen voor inspectie te identificeren. Dit wordt vermeld in de melding. Als de instelling instemt met de zelfbeoordeling, verbindt zij zich ertoe de zelfbeoordeling af te ronden binnen een door de Raad te bepalen termijn, volgens een door de Raad vast te stellen kader, en de bevindingen aan de Raad te rapporteren.

De Raad kan ondersteuning bieden aan de afdeling bij het ontwikkelen van een instrument voor zelfbeoordeling.

De Raad informeert het verzoekende departement over de mening van de Raad over het zelfbeoordelingsverslag of -rapport.


Rapportage/het horen van beide partijen van het argument
De Raad stuurt het concept-inspectierapport of, in geval van een inspectie waarbij meerdere organisaties betrokken zijn, het voor de betreffende organisaties relevante deel van het concept-inspectierapport naar de betreffende organisaties en geeft de organisaties twee weken de tijd om op het concept-inspectierapport te reageren in die zin dat feitelijke fouten of misverstanden in het concept-inspectierapport worden gecorrigeerd.

Na ontvangst van de reactie van de instelling of na afloop van de reactieperiode geeft de Raad de Minister twee weken de tijd om te reageren op het inspectierapport in die zin dat feitelijke fouten of misverstanden worden gecorrigeerd.

Na ontvangst van de reactie van de Minister of na afloop van de reactieperiode stelt de Raad het rapport vast.

De Raad kan aanbevelingen doen aan de Minister over te nemen maatregelen. De aanbevelingen worden opgenomen in het door de Raad vast te stellen inspectierapport.


Openbare toegang


Inspectierapporten worden openbaar gemaakt behalve in uitzonderlijke gevallen zoals vermeld in de Rijkswet. Publicatie vindt niet eerder plaats dan zes weken nadat het rapport naar de Minister is gestuurd. Publicatie vindt plaats via de internetpagina van de Raad.
De Raad kan besluiten om een gepubliceerd rapport verder toe te lichten via persberichten, interviews met vertegenwoordigers van de media of anderszins.


Naleving van aanbevelingen


Onder Artikel 32 van de Rijkswet, als de Minister systematisch nalaat om de aanbevelingen van de Raad op te volgen, kan de laatste het representatieve orgaan van het betreffende land en de Raad van Ministers van het Koninkrijk der Nederlanden informeren. Op basis van ten minste twee vervolginspecties na een inspectierapport besluit de Raad of de Minister consequent nalaat om de aanbevelingen op te volgen.


Afwijking van de procedure


In bijzondere gevallen kan de Raad besluiten af te wijken van de bovengenoemde procedure. Het besluit wordt schriftelijk met onderbouwing medegedeeld aan de te inspecteren organisatie.


Beoordeling


De Raad zal het protocol uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding evalueren op basis van praktische ervaringen. Een dergelijke evaluatie kan leiden tot wijzigingen in het protocol. Een aangepaste tekst van het protocol zal op de voorgeschreven wijze worden aangekondigd.

Raad voor de rechtshandhaving preloader